Geschiedenis mutualiteiten

Geschiedenis mutualiteiten

De ziekenkas: historiek van de ziekteverzekering in België

Vandaag is iedereen aangesloten bij een ziekenfonds, maar dit was niet altijd het geval.

Het ontstaan van de ziekenkas

De voorlopers van de ziekenfondsen in Vlaanderen en België̈ waren de beurzen die de ambachtsgilden hadden opgericht om hun eigen leden te helpen. Concrete aanwijzingen voor de overgang van de beurzen naar de latere mutualiteiten zijn er echter niet.

De industriearbeiders, die tijdens de industriële revolutie in aantallen waren toegenomen, konden niet terugvallen op de solidariteit binnen de gilden. Daardoor bleef voor een meerderheid van hen de openbare of de privéliefdadigheid de enige optie als ze ziek of invalide waren. Pas vanaf het midden van de 19de eeuw konden ze ook terecht bij fabriekskassen en een aantal kleine zelfstandige arbeidersmaatschappijen. Het aantal was beperkt en bereikte meestal alleen de geschoolde arbeiders in vast dienstverband.

Omdat sommige ziekenkassen avant-la-lettre ook de materiële belangen verdedigden, werden ze gewantrouwd door bazen en overheid. Het verbod op het vormen van coalities (wet-Le Chapelier, 1791) werd strenger toegepast en hun oprichting tegengehouden.

De ziekenkas en de overheid

De overheid bemoeide zich voor het eerst met de zorgverzekering in de late jaren 1840 toen de economische crisis het pauperisme sterk had doen toenemen: de liberale bewindvoerders besloten de onderlinge hulp en het persoonlijk sparen te stimuleren door steun te verlenen aan privé-initiatieven.

Dit resulteerde enerzijds in de oprichting van een Algemene Lijfrentekas in 1850 en anderzijds in de wet van 3 april 1851, die mutualiteiten de mogelijkheid bood zich te laten erkennen. Omdat de arme arbeiders geen lidgeld konden betalen, noch konden sparen, bleven de ziekenfondsen beperkt tot de gevestigde katholieke en liberale ziekenkas.

De verzuiling van de mutualiteiten

Ondertussen had zich geleidelijk aan een ideologische opdeling van de mutualiteiten voorgedaan. De katholieken richtten rond 1850-1860 een netwerk van mutualiteiten op die gewoonlijk parochiegebonden en interprofessioneel waren en zich binnen het ruimer verband van een werkmanskring situeerden uit schrik voor de socialisten.

Als reactie op de groei van de katholieke maatschappijen bouwden ook de liberale burgerij hun net uit, maar met minder succes. De socialistische mutualiteiten richtten zich bijna uitsluitend tot de fabrieksarbeiders. De neutrale kassen tenslotte richtten zich dikwijls tot de ambachtslieden.

Rond het einde van de 19e eeuw was er in België en waaier van ambachtelijke, beroepsgebonden en parochiale mutualiteiten, fabriekskassen en amateuristische cafébonden. Slechts een minderheid werd door de overheid gecontroleerd. De belangrijkste maakten deel uit van ideologische netwerken die een sterke link hadden met de overeenkomstige politieke partij.

Verdere inmenging van de overheid

De overheid greep een tweede maal in na de zware onlusten die volgden op de economische depressie van de jaren 1870. Om de rust te doen terugkeren en de opgang van het socialisme te stuiten, nam de katholieke regering maatregelen op het gebied van de verzekering tegen ziekte en invaliditeit. Zoals haar voorgangers nam ze niet zelf het beheer in handen: ze besteedde de opdracht uit aan onafhankelijke ziekenfondsen en ondersteunde die, een systeem dat bekend raakte als “gesubsidieerde vrijheid”. Ze koos ook voor een niet-verplichte toetreding. De maatregelen werden vastgelegd in de wet van 23 juni 1894 die de mutualiteiten de mogelijkheid bood de volledige rechtspersoonlijkheid te verwerven. Deze wet is tot 1990 de basis gebleven van de werking van de ziekenfondsen. De subsidiëring evolueerde van het bevorderen van een goede administratie naar een ruime financiële ondersteuning.

Om praktische redenen vroeg de regering van haar kant een strikter beheer en een betere organisatie waarbij werd aangedrongen op de vorming van federaties (verbonden); hieruit is dan nadien de oprichting van landsbonden en een groter aanbod aan diensten gevolgd. Het aantal ziekenkassen en vooral het aantal verzekerden nam toe. Toch leverde het nieuwe systeem niet het beoogde resultaat op voor de ziekenbond. Een groot aantal arbeiders liet nog steeds na zich aan te sluiten, waardoor ze niet alleen zonder bescherming bleven, maar er ook een belangrijke bron van rekrutering verloren ging, vooral voor de katholieke zuil. Bovendien waren vooral de arbeiders met groot risico verzekerd wat een zware financiële last voor de mutualiteit meebracht.

In 1912 nam de katholieke regering een ontwerp van haar mutualiteiten over dat de verplichte ziekteverzekering van werknemers met een laag inkomen, de tussenkomst van werknemer, overheid en in mindere mate van werkgever en het behoud van afzonderlijke, 'vrije' ziekenfondsbonden voorzag. Er werden gewestelijke staatskassen voorzien voor wie zich niet bij de bestaande ziekenfondsen wilde aansluiten. Werknemers met een te hoog inkomen konden zich op vrijwillige basis verzekeren.

De ziekenfondsen tijdens de Eerste Wereldoorlog

Met de Eerste Wereldoorlog brak in België een moeilijke periode aan voor de ziekenfondsen. Dat ze verder konden werken was te danken aan de tussenkomst van het Nationaal Hulp- en Voedingscomité (NHVC) dat aanvankelijk de medisch-farmaceutische dienst voor zijn rekening nam en vanaf 1916 deze dienst in de erkende mutualiteiten subsidieerde. Niet alle ziekenbonden wisten echter even goed gebruik te maken van deze hulp: vooral de Christelijke Mutualiteiten kwamen gekwetst uit de oorlog.

De ziekenfondsen tijdens het interbelleum

De ontplooiing van de ziekenfondsen tijdens het interbellum verontrustte werkgevers en artsen. De eersten reageerden met een poging de fabriekskassen nieuw leven in te blazen: in 1928 kwam er een nationaal verbond dat alle ziekenfondsen verenigde die door werkgevers waren opgericht. In sommige grote, vooral Waalse, ondernemingen maakten de fabriekskassen sterke vooruitgang.

De artsen die altijd een moeilijke verhouding met de ziekenfondsen hadden gehad, verzetten zich ook nu, maar hun positie werd sterk ondermijnd door onderlinge communautaire twisten en een toenemend gebrek aan discipline waardoor ze hun greep op de gebeurtenissen verloren. Er kwam ook een geleidelijke verschuiving van de onderhandelingen met de ziekenfondsen van het lokale naar het regionale niveau.

De ziekenbond tijdens de Tweede Wereldoorlog

Afgezien van de verwarring van de eerste maanden konden de meeste ziekenfondsen ongestoord doorwerken tijdens de Tweede Wereldoorlog. Het Duitse militaire bestuur stuurde aan op de verplichting van de ziekteverzekering en op de samensmelting tot een enkel ziekenfonds, net zoals in Duitsland. Dat de verplichting en het eengemaakt ziekenfonds er tijdens de bezetting niet gekomen zijn, ligt aan de voortdurende tegenwerking van de christelijke ziekenfondsen, aan de toenemende terughoudendheid van de socialisten en, vanaf 1942, aan het verzet van het ministerie.

De enige Belgische burgers die aan de verplichte zorgverzekering werden onderworpen, waren de werknemers in Duitse of voor de Duitsers werkende bedrijven en de Belgische arbeiders in Duitsland die zich samen met hun gezin moesten aansluiten bij de Deutsche Krankenkasse (DKK). Hierdoor werden steeds meer leden aan de Belgische ziekenfondsen onttrokken.

In Londen werd ondertussen de naoorlogse verhouding tussen werknemers en werkgevers voorbereid: de groep die vanaf eind 1941 op initiatief van Henri Fuss in de clandestiniteit vergaderde, zou het verdere beloop bepalen. De ziekteverzekering was slechts een onderdeel van deze besprekingen en kwam slechts laattijdig aan bod. De onderhandelingen resulteerden in de besluitwet van 28 december 1944 waarin een gezamenlijke regeling gevonden werd voor de verschillende sectoren van de sociale zekerheid.

Voor de ziekteverzekering betekende dit de invoering van de verplichting voor arbeiders en bedienden en de oprichting in 1945 van de Rijksdienst voor Verzekering tegen Ziekte en Invaliditeit (RVZI). De grote ziekenbonden werden erkend maar omdat bijdragen en voordelen bij wet waren vastgelegd, werden ze nu herleid tot uitbetalingsinstellingen. Wel bestond voor iedereen de mogelijkheid om rechtstreeks bij het ziekenfonds een aanvullende verzekering aan te gaan.

Het nieuwe systeem bleek al snel te leiden tot een budgettaire ramp voor de socialistische ziekenfondsen door het profiel van de verzekerden (meer risicoberoepen en gepensioneerden). Ook bleven de zuilen er uiteenlopende opvattingen over de verantwoordelijkheid van overheid en ziekenfondsen op nahouden. Hierdoor werd de ziekteverzekering tijdens de jaren 1948-1959 een onderdeel van de politieke strijd tussen katholieken en antiklerikalen. Doordat beide strekkingen afwisselend aan de macht kwamen en de opeenvolgende regeringen tegenstrijdige beslissingen namen, werd de ziekteverzekering in nog grotere problemen gebracht. Na verloop van tijd werd toch een werkgroep met technici van de socialistische en de christelijke ziekenfondsen opgericht die de problemen moesten bestuderen.

Financiële crisis bij de mutualiteiten

De Eenheidswet van januari 1961 die een oplossing moest brengen voor de financiële problemen in het algemeen had ook repercurssies voor de ziekteverzekering. Hier werd vooral de controle op de geneeskundige prestaties opgedreven. De wet-Leburton was de beslissende stap in 1963. Door deze wet werden ziektekosten en ziektevergoeding gescheiden, werden de verzekering tegen ziekte en invaliditeit uitgebreid tot andere bevolkingsgroepen, en werden nieuwe financiële regelingen getroffen, waaronder hogere subsidies.

Door een nieuw opgerichte dienst binnen het RVZI (ondertussen Rijksinstituut voor Ziekte- en Invaliditeitsverzekering, RIZIV) kwam er ook een verscherpte controle op de uitgaven. De artsenhonoraria werden voortaan bepaald door overeenkomsten waarmee de artsen zich individueel akkoord moesten verklaren. De artsen reageerden met een zorgenstaking. In juni 1964 kwam het toch tot een overeenkomst: het Sint-Jansakkoord, dat de conventie meer aanvaardbaar maakte voor de artsen. Hierna werden de overeenkomsten op bepaalde tijdstippen hernieuwd. Het aantal verzekerden nam toe en in 1970 was het grootste deel van de bevolking verzekerd tegen ziekte en invaliditeit. Tot eind jaren 1980 verslond de ziekteverzekering steeds meer geld en het dreigde failliet te gaan. De tekorten betroffen uitsluitend de gezondheidszorg. De ziekteuitkering vertoonde zelfs een positieve balans.

Naar een nieuwe structuur: de landsbond Ook de structuur en de opdrachten van de ziekenfondsen werden aangepakt. De wet van 6 augustus 1990 bepaalde de opdrachten en de basisregels van hun werking, legde de voorwaarden vast voor het verkrijgen van de rechtspersoonlijkheid en organiseerde het toezicht. De primaire ziekenkassen werden afgeschaft, de leden werden vertegenwoordigd in het bestuur, het actieterrein werd afgebakend, de controlemechanismen ingebouwd en er werd een regeling getroffen voor de aanvullende vrije verzekering.

De landsbond werd de officiële verzekeringsinstelling. Door hun monopolie kwamen de ziekenfondsen versterkt uit de operatie, maar de enige mogelijkheid tot concurrentie lag nu in de aanvullende vrije verzekering.

Ondanks alle maatregelen werd de ziekteverzekering steeds meer verlieslatend en vanaf 1994 moest de regering opnieuw ingrijpen. In 1995 werd de wet op de financiële verantwoordelijkheid gestemd, waardoor een aantal uitgaven werden gebudgetteerd en de ziekenfondsen financieel verantwoordelijk werden gesteld. Het toegekend budget werd afhankelijk gemaakt van de uitgaven, rekening houdend met het patiëntenrisico en er was een beloning voor positieve balansen. Nadien werden nog een aantal bijkomende maatregelen genomen. De patiënt was reeds voordien verantwoordelijk voor het remgeld en van bijdrage in sommige onkosten. 

De huidige situatie                

Er zijn momenteel vijf landsbonden met daarin verschillende ziekenfondsen:

  • Landsbond der Christelijke Mutualiteiten (bv. CM) 
  •  Nationaal Verbond van Socialistische Mutualiteiten (bv. Bond Moyson) 
  •  Landsbond van Liberale Mutualiteiten (bv. Liberale Mutualiteit) Landsbond van de Neutrale Ziekenfondsen (bv. VNZ) 
  •  Landsbond van de Onafhankelijke Ziekenfondsen (bv. Partena Ziekenfonds)

Zal het systeem van de ziekteverzekering, dat in België in meer dan 150 jaar zo moeizaam tot stand kwam, in zijn huidige vorm gehandhaafd blijven? Bepalende factoren hierbij zullen de politieke ontwikkelingen in België en binnen de Europese context en de veranderende economische en demografische omstandigheden zijn.

De ziekenkas van vroeger kijkt een interessante toekomst tegemoet!

Wat mag je verwachten van een oogmeting?

Blog 2 december 2016

Wanneer het lezen van de krant moeilijker gaat, je verkeersborden niet meer goed kunt lezen of je last hebt van vermoeide ogen, dan is de tijd aangebroken om toch eens naar de oogarts te gaan. Want misschien heb je wel een bril of lenzen nodig. Of dat effectief noodzakelijk is, zal de oogarts bepalen aan de hand van een oogmeting. 

Sluiten

Kantoorzoeker

Bent u op zoek naar het dichtsbijzijnde kantoor?

Zoek een kantoor

Onlinekantoor

Door je aan te melden kun je al je dossiers opvolgen, e-Boxberichten lezen, ...

Onlinekantoor